De festivalganger doet het voor zichzelf

In Blog, confusion, gemopper by Karina Meerman

Voor het eerst van mijn leven was ik op een meerdaags muziekfestival. Drie of vier dagen kamperen met de verkering en zijn beste vriend, naar bandjes luisteren en biertjes drinken, dat wilde ik wel proberen. Ik weet het weer. De hel, dat zijn de anderen. 

Down The Rabbit Hole #dtrh18 is een kleinschalig festival in de buurt van Nijmegen. Kleinschalig volgens festivalbegrippen: dertigduizend man streek eind juni als een sprinkhanenplaag neer op een glooiend landschap naast een meertje. Vrijwillig sliep men drie of vier nachten hutje mutje in tentjes in de brandende zon. En met hutje mutje bedoel ik dat elke vierkante meter van de grasvelden werd bezet. Wie te veel ruimte over liet met de tent van de buurman kon in no-time een nieuwe buur verwelkomen. Vrienden waren er eerder dan wij en lieten onder zorgvuldige bewaking een plek voor ons open. Vlakbij de ingang van het terrein, nog dichterbij het water, niet al te ver van de toiletten (relatief gezien).

Sjouwen
Vanaf het nabijgelegen weiland sjouwden massa’s mensen vanaf donderdagmiddag tenten, slaapzakken en stoeltjes het toen al stoffige terrein op. Voor de echt lastige zaken werden bolderkarren en boodschappenkarretjes ingezet. Mensen die nog nooit lichamelijke arbeid hadden verricht trokken enthousiast wankele wieltjes over graspollen en door kuilen. Iedereen probeerde zoveel mogelijk proviand mee te nemen. Dat zou niet lang goed blijven met temperaturen van rond de dertig graden en vanaf dat moment was iedereen overgeleverd aan festivalvoedsel en -prijzen.

Vooral drank was belangrijk, acht liter vloeistof per persoon was toegestaan. Gratis waterpunten waren er wel, maar voor de kwaliteit water schamen ze zich zelfs in Zwolle. Glas was verboden. “Dat zal wel weer en of andere lokale gemeentelijke verordening zijn,” sprak een studentikoos type achter mij. Nee, gek, dat is omdat als mensen dronken zijn en glas breken er bloed kan vloeien. “Ik breek nooit wat als ik dronken ben,” zei hij. ‘Ik wel,’ antwoordde ik. ‘En daar ga jij dan met je voeten in staan.’ Dat kon hij zich dan wel weer voorstellen.

Thuis slapen
De eerste nacht was een fiasco. Het was heet, druk en luid, ik raakte in paniek van de gedachte aan vier dagen in deze zelfgekozen hel en het gloednieuwe luchtbed bleek lek. Om half 2 stampte de verkering de tent uit en besloot: ‘We gaan weg.’ Dankbaar hielp ik mee zoeken naar de auto op dat weiland dat nu bijna vol was. Ik was niet nuchter genoeg om te rijden, laat staan om ’s nachts snel een donkergroene auto te vinden in een grasveld. Maar het is ons gelukt. Een halfslachtige poging een hotelkamer te vinden liep op niets uit. Alles was voller dan het luchtbed. “We gaan naar huis,” zei ik, “en morgen proberen we het weer.” Vijf kwartier later schoven we intens gelukkig ons eigen bed in.

Poging twee
Vrijdagmiddag dansten we uitgerust en schoon in de grote tent waar Claw Boys Claw onverwacht speelde. Het was goed, het was gezellig en we slenterden over het terrein. Hapje hier, drankje daar. Festivalleven is vooral heel erg duur. Alles gaat met muntjes van 2,80 per stuk. Het eten was goed, de porties bescheiden, de snelheid van bedienen matig. Veel hoger lag de snelheid waarmee het geld uit de zakken liep begon me tegen te staan. Bezoekers worden in een toch al prijzig weekend vakkundig en vrijwillig in een financiële fuik geleid, die alleen met ervaring enigszins te vermijden te is. Ik was al trots dat ik mijn slaapsetje uit het vliegtuig bij me had: ogen en oren bedekt, maar niets houdt het geluid tegen van duizenden feestende mensen onder een zomerzon. Ik wist het zeker: ik zou morgen naar huis gaan.

Mensenmassa’s
Zaterdagmorgen was echter idyllisch met zwemmen in het meertje. De meeste nachtbrakers lagen weer in de slaapzak, de enkeling op het strandje bewoog nog niet. Terug bij de tent werden de laatste eieren en spek ontbijt, de filet americain liep zelf naar de vuilnisplek. Douchen sloegen we over omdat de wachttijd voor de dames zeker een half uur was. Het was aanzienlijk drukker dan de dag ervoor. De ‘hoofdweg’ langs de eettenten, toiletten en wasruimtes leek op een Amsterdamse winkelstraat op een zomerse zaterdagmiddag. Op het festivalterrein betekende de toename in publiek altijd rijen voor de toiletten, de eettenten, de bars. Al deze dingen horen erbij. Dus waarom kreeg ik daar zo enorm de kolere over in?

Puur plezier
Wat ik zag waren mensen die een lang weekend lang los gingen en plezier nastreefden. Normaliter word ik daar heel blij van, maar iets aan deze manier van feesten schuurde. Ten eerste kost het ook met voorbereiding een behoorlijke klap geld. Dat maakt het een feestje voor een selecte groep met een vrij homogene uitstraling. Natuurlijk is het onzinnig en onjuist iedereen over een kam te scheren, maar ik heb wel geprobeerd patronen te vinden om de bron van mijn eigen irritaties te ontdekken. En wat me vooral opviel was het meedogenloos nastreven van het eigen vermaak.

Ik, ik, ik
Plezier hebben hield ook in dat als mensen met de rug naar het podium wilden bijpraatten – ook wanneer de legendarische David Byrne een visueel vernieuwde show neerzet – dat zij dat gewoon deden. Afval werd op de grond gegooid, iemand anders zou het wel opruimen. Mensen gingen zitten of liggen waar ze wilden en wie daar al zat, moest maar opschuiven. Wie koeienstront wilde roken deed dat gewoon in een volle muziektent onder de niet-roken-borden. En wie kritiek uit is een vervelende gast die hun plezier verstoort. Of ze begrijpen simpelweg niet dat hun gedrag consequenties heeft voor anderen.

Kinderkleren
Bij dit ongebreidelde egoïsme en/of egocentrisme hoort een modetrend die voor oude punkers gewoon pijnlijk is: volwassenen die zich kleedden als kinderen. Ik zag hordes mannen in semi-nette broeken met pijpjes net boven de knie, korte tuinbroeken, knotjes, staartjes, kinderprintjes, opgetrokken sokken en gympies. T-shirts zijn een klassieke manier om te laten zien waar de drager voor staat. Ik zag vooral hobby’s: bands, beestjes en stripfiguurtjes. Het was allemaal zo verdomde schattig en dat strookte niet met het asociale gedrag.

Dokter, is het de leeftijd?
Natuurijk heb ik mij duizend keer afgevraagd of het aan mij ligt. Aan mijn leeftijd, met name. En ja natuurlijk speelt dat mee, alsook een leeftijdloze bovengemiddelde gevoeligheid voor prikkels. Dat ik zaterdag op zondag vloekend wakker lag om vier uur ’s nachts omdat mensen een minifestival waren begonnen op het strand? Echt alleen mijn probleem. Dat ik gek werd van de dj’s die ik tot half vier kon horen? Het was een muziekfestival, dus natuurlijk prima. Blauwe plekken van het luchtbed? Dat vel is inmiddels een halve eeuw oud, dus DUH.

Maar muzikanten respectloos behandelen door het eigen stemgeluid belangrijker te vinden dan de muziek? Dat heeft niets te maken met leeftijd, cultuur of muziekkeuze. Het terrein waar je hebt gefeest achterlaten als een grote vuilnisbelt omdat je te belazerd bent jouw eigen zooi op te ruimen? Dat is aso gedrag. Maar het past perfect bij hoe dit festival zich profileert: “Down The Rabbit Hole, waar je bent wie je bent wanneer niemand je kan zien.” Behalve dertigduizend andere mensen dan.

En nu?
DTRH wordt alom geprezen als festival vanwege het programma, de ligging, de sfeer. Dat geloof ik wel. Man en vriend hebben het uitstekend naar hun zin gehad en een zeer  bijzonder optreden meegemaakt op zondagavond. Ik heb ook echt toffe dingen gezien en gehoord. Het was al met al een indrukwekkende ervaring, maar een die ik niet meer ga herhalen. Hoe leuk het festival ook is, ik kan gewoon niet tegen festivalgangers.