Wubbo Ockels en Mensa

In work by oburon-wpadmin

In 2002 interviewde ik Wubbo Ockels voor het boek “Het MensaQuotiënt”, dat werd uitgegeven ter ere van het 40-jarig bestaan van Vereniging Mensa Nederland. Ockels werd in 1982 lid van Mensa in de VS zodat hij een huis kon laten bouwen. Hij praatte over school, over leren en presteren en over zijn eigen dyslexie. Zijn overlijden op 18 mei 2014 is een verlies voor breeddenkend Nederland.  “In 1981 kocht ik een stuk land in Huntsville, Alabama. Daar zit de afdeling van NASA die zich bezig houdt met wetenschappelijk werk in de ruimtevaart. In 1982 wilde ik op dat stuk grond een huis bouwen. Ik had een heel plan ontwikkeld, maar had uiteraard geld nodig om het te realiseren. In Amerika vraag je dan een soort overbruggingskrediet aan, specifiek bestemd voor de bouw, daar heb je weer een levensverzekering voor nodig en die ik had ik niet. Ik ging naar aanbevolen partijen maar toen ze hoorden wat voor beroep ik had wilden ze me niet verzekeren. Mijn collega-astronauten in Amerika werden allemaal gedekt door een Amerikaanse regeling die NASA had afgesloten bij verzekeringsmaatschappijen en daar viel ik buiten. Ik besprak dit in de wandelgangen in Huntsville en één van de jongens zei dat hij lid was van Mensa. Leuk, zei ik, maar wat heb ik daaraan? Hij vertelde dat er een maatschappij was die Mensaleden de mogelijkheid gaf zich te verzekeren. ‘Het enige dat je hoeft op te geven zijn je persoonsgegevens en het feit dat je lid bent’. Nou, zei ik, doet u maar. Ik deed een test en ben lid geworden. Vervolgens sloot ik een levensverzekering af zodat ik een bouwlening kon krijgen en zo is het huis gebouwd. Ik had verder geen speciale binding met Mensa, het was puur praktisch. Ik heb er ook weinig mee gedaan, een keer een verhaal gehouden maar dat is het wel eigenlijk. Wat ik wel merk is dat er in Amerika positief wordt gereageerd op het Mensalidmaatschap en dat is in Nederland heel anders. Amerikanen genieten wanneer een andere Amerikaan iets bijzonders doet. In Nederland is de reactie in eerste instantie een beetje negatief. Een Nederlander voelt zich ook bedreigd wanneer iemand anders iets bijzonders doet of kan. Met het astronautschap merkte ik dat heel duidelijk. Toen ik als astronaut in Amerika zat, juichte heel Nederland. Ik kwam terug in een confettiregen, bij wijze van spreken, maar wanneer je dichtbij de mensen komt weten de Nederlanders niet hoe ze daar mee om moeten gaan. Sterker nog, ze reageren soms zelfs negatief. Daar heb je die Ockels weer, die zal wel zeker denken dat… Vul maar in. Dat wordt dan gezegd voordat je ook maar iets doet. Men voelt zich wat ongemakkelijk omdat de Nederlander de kunst niet heeft ontwikkeld om te genieten van iemand die iets bijzonders doet. De reactie op Mensa begrijp ik ook niet goed. Een doel van een vereniging is natuurlijk contact en misschien ook wel in de bres springen. Ik heb bijvoorbeeld ooit een televisieuitzending gedaan met Ivo Niehe over dyslexie. Dat was heel erg leuk, omdat je veel kinderen een hart onder de riem steekt. Ik ben zelf een beelddenker en behoorlijk dyslexisch, ik lees slecht omdat mijn interpretatie van tekst via beelden gaat. Voor ik het weet heb ik een eigen verhaal gemaakt in plaats van wat er staat. Het is een leuke gave want ik kan geweldig snel iets uitvinden of conceptueel zien. Na de uitzending kregen we veel positieve reacties van ouders die met ons verhaal hun kind konden motiveren dat problemen had op school. Ze konden laten zien dat hun kind nergens last van had, het was alleen partieel begaafd. Het kon iets heel goed en daarom gingen andere dingen moeilijker. Officieel ben ik nu hoofd Educatie bij ESA en wij proberen jonge mensen te stimuleren om wetenschap en techniek te doen en zich te interesseren voor ruimtevaart. Dat is een beetje rare situatie, omdat ik zelf de grootste moeite heb gehad op school. Ik was een vreemd jongetje, erg lastig en speelde veel alleen. En ik, die het allemaal verschrikkelijk vond op school, zet nu grote programma’s op om leraren te motiveren. Eindelijk rechtvaardigheid? Misschien wel. Ik heb bepaalde ideeën ontwikkeld over leren. Ik vind het bijvoorbeeld belachelijk dat slechte resultaten worden toegestaan op school. Iemand haalt een vijf en dat mag. Dat vind ik dus niet mogen. Dan moet er maar langer aan gewerkt worden of het wordt makkelijker gemaakt, maar het idee dat iemand ergens doorheen rolt met hele slechte resultaten is zó frustrerend. Iemand die doorgaat met een vijf of zes voor breuken, krijgt later met differentiaalvergelijkingen hetzelfde probleem. Je gaat iemand determineren om zijn hele leven lang moeite te hebben met iets. Dat doet de natuur niet. Een jong kind grijpt de dingen aan die het wel kan om beter te worden en verder te komen. Maar op school word je geoefend in dingen die je niet kunt. Dat vind ik zó stuitend en het werkt enorm demotiverend. Het zou een van de eerste dingen zijn die ik zou willen veranderen. Ik geef college in Delft aan vierdejaarsstudenten en daar doe ik het inderdaad anders. Ik heb tegen ze gezegd dat ik niet accepteer dat ze een slecht cijfer halen. Ik heb gezegd: ‘De helft van jullie cijfer is presentie. Als je er bent heb je dus al een vijf, maar ik accepteer niet dat iemand er niet is.’ Vervolgens maak ik een heel lang tentamen van honderd vragen en dat behandel ik in het laatste college. Ik ga alle vragen langs en bespreek de antwoorden. Iedereen schrijft het op, iedereen doet tentamen en iedereen haalt een acht, negen of een tien. Of een zeven voor als je slecht hebt opgelet, maar ze weten wél het antwoord op die honderd vragen en dat is wat ik wil. Ik vind het belangrijk dat ze die kennis hebben. Ik zit in een sollicitatieboard, denk je nou heus dat ik ooit vraag wat iemands wiskundecijfer was in de tweede klas? Dat is totaal irrelevant. Wat ik wil is iemand die goed in zijn vel zit en goed doorheeft wat breuken zijn. Ik denk dat leraren ook last hebben van de huidig manier van werken. Het is toch ontzettend vervelend om al die slechte cijfers uit te moeten delen aan kinderen die je iets wilt leren maar het niet meer kunnen. Dat is niet goed. Wat ik ook helemaal verkeerd vind is dat men vervolgens bedacht dat het beter en leuker moest. Het moest in een maatschappelijke context passen en er kwamen allerlei Disneyachtige boeken met kinderachtige teksten. Daar wordt iets uitgelegd wat niet helemaal waar is en de leraar die het wil uitleggen heeft het misschien ook net niet helemaal begrepen… Weet je, het mag niet moeilijk zijn en dat is nu juist fout. Het leukste aan wiskunde, natuurkunde en scheikunde is dat het wél moeilijk is. En als het moeilijk is en je kunt het, dan heb je een tevreden gevoel. Diezelfde jongens en meisjes die op school niks doen omdat ze het te moeilijk zouden vinden, racen na school naar huis om een of ander computersspel te gaan spelen wat nog veel moeilijker is. Moeilijk is een uitdagingscriterium. Vergelijk het met sport. Als sporttrainer zeg je tegen je leerling dat de lol komt van gewoon sporten, maar dat trainen nu eenmaal pijn doet. Waarom zeggen we op school dan niet: ‘Jongens, de eerste twee uur zijn vandaag hartstikke moeilijk en vervelend, we gaan oefenen, oefenen, oefenen.’? Dan is de functie van het oefenen ook weer duidelijk, dat is namelijk om te laten zien dat je er beter door wordt. Je moet ook geen nieuw proefwerk maken dat weer moeilijker is, nee, je geeft hetzelfde proefwerk nog een keer. Dan kun je namelijk zeggen: hé jongens, jullie hebben het nog beter gedaan.”